Sanatorium

Ik heb iets met sanatoria. Ben nog nooit in één geweest, helaas, of misschien goed, natuurlijk, want het zijn niet de gezondste mensen die daar verblijven. Maar ze spreken enorm tot mijn verbeelding. Misschien is het omdat ikzelf astma heb, en de traditie het wil dat het vaak astmalijders zijn die die zalige plekken bevolken. Gelegen in ligbedden, genieten van de gezonde lucht, onder een warm dekentje.

Ik las lang geleden De Toverberg, en was helemaal gek van de sfeer, de figuren, de sociale interacties. Ook Death in Venice associeer ik met een sanatorium, hoewel dat waarschijnlijk gewoon een hotel was. Toen er een paar weken geleden een artikel in de krant stond over het Sanatorium Joseph Lemaire van architect Maxime Brunfaut in Tombeek, naar aanleiding van de voorstelling van een boek over het gebouw, deden de foto’s van het gebouw in haar oude glorie me weer wegdromen. Hoe komt dat toch dat ik daar zo week van word? Ik vind het vooral ook pijnlijk om zien hoe dat ooit zo prachtige gebouw er nu bijstaat. En intussen maar vollen bak gedrochten bouwen. Laat ons hopen dat het boek de aanzet is voor de restauratie van het oude sanatorium.

Ik ga dat boek bestellen, dat is zeker. En ik ga daar ook eens naar toe rijden, naar Tombeek, ik zal mijn mannen daar wel warm voor kunnen maken.

Niet gehinderd door enige voorkennis

Ik krijg dezer dagen bijzonder veel vragen van marktonderzoekbureaus. Het lijkt wel alsof ze nog voor het eind van het jaar hun quota moeten halen. Vanmorgen ook weer.

“Goeiemorgen. U spreekt met Mevrouw X. van Marktonderzoeksbureau Y. Spreek ik met Dr. T. K.?”

“Jazeker.”

“U bent hematoloog?”

“Jazeker.”

“Dr. K., wij doen onderzoek naar de behandeling van kanker. U behandelt toch patiënten met kanker?”

“Jazeker.”

“Wel. Het onderzoek zou bestaan uit een korte bevraging over uzelf, uw specialiteit. En dan is er een patiënten-document, waar u per patiënt ongeveer 10 minuten aan spendeert. Bent u bereid om aan dat onderzoek deel te nemen?”

“Over welke patiënten gaat het?”

“Wel. Het gaat over verschillende kankers. Ik zal u een paar vragen stellen. Antwoordt u maar met ja of neen.”

“Behandelt u mensen met kleincellig longcarcinoom?”

“Neen.”

“Met darmcarcinoom?”

“Neen.”

“Met borstcarcinoom?”

“Neen.”

Haar stem wordt wanhopig. Wat smekerig, ook. “Ovariumcarcinoom?”

“Neen.”

Ze slaakt een diepe zucht. “Pancreaskanker?”

“Neen.”

“Oei. U behandelt geen enkele kanker, dan?”

“Jawel, ik behandel mensen met bloedkanker. Leukemie. Lymfoom. Multipel myeloom. Ik ben hematoloog hé.”

“Dus geen enkele hematoloog komt in aanmerking voor dit onderzoek?” Ze zegt het met verwondering en een vleugje ongeloof.

“Dat klopt.”

“Dan kan ik hier al een ganse hoop dokters schrappen.” Ze klinkt nu een beetje positiever. “Toch bedankt voor uw tijd, dokter.”

“Graag gedaan.”

Zit ge neer?

Vandaag. Ten huize wij. In de keuken. Hesp-witloof-rolletjes met kaassaus en puree. In de oven, krokant korstje en al. Gemaakt door yours truly. Echt serieus. Ik was helemaal zen, de keuken was proper en er is niets verbrand. En het smaakte verdomme nog lekker ook. Er werd net niet gevochten om het laatste rolletje en de schotel moest niet meer worden afgewassen.

Ik sta soms versteld van mijn eigen.

Over Meneertje Koek

Baby’s, ik vind dat schattig, maar hoe groter ze worden, hoe leuker ik ze vind. Er zijn moeders die het spijtig vinden dat dat baby-zijn eraf is. Dat heb ik nooit gehad. Ik vind Henri eigenlijk almaar leuker worden. Maar er zijn zo van die zeldzame momenten dat ge beseft dat bepaalde dingen niet meer kunnen, en dat dat wel spijtig is. Zoals toen ik gisteren in onze boekenwinkel dat prachtige nieuwe boek van Pieter Goudesaboos zag liggen. Zijn boeken werden hier altijd warm onthaald. Negen schijfjes banaan. Roodlapje. Hoe oma plots verdween. Pistache. Stad. Wat een prachtige boeken. Maar dit was 4+, niet echt iets voor een jongen die pas tien is geworden.
Maar kijk, groot was mijn vreugde toen ik even later Henri zag kijken in het boek. “Kijk, mama, dat is van die van dat boek Stad hé? Meneertje Koek schrijft een boek, en kijk hier is Het Boek van Meneertje Koek. Grappig he. Ik heb het al uit.”

En dingen die ge dan wel kunt met een jongen van tien, is monopoly star wars spelen, heerlijk gaan wandelen in de Bourgoyen zonder gezaag in de trant van “is ‘t nog ve-e-e-r” of “ik kan niet meer” of samen eten maken en de tafel dekken. Zaaaaaaalig.

En nu heb ik zin in koekjes. En geen in huis. Verdikke.

Fluwelen handschoenen

Ik ben een rare, ik. We zijn een beetje aan het opkuisen thuis, en we geven dan veel weg (iets wat ik heel graag doe) en gooien ook wel iets weg (iets waar ik veel problemen mee heb). Toen ik daarnet 3 bierglazen ging weggooien, betrapte ik mezelf erop dat ik de glazen heel voorzichtig in de glasbak legde, om ze zeker niet te breken. Het maakte het afscheid er een beetje draaglijker op.

Stoem hé?

Het ene voorschrift is het andere niet.

Toen ik vanavond thuiskwam, gelukkig niet als een verzopen waterkieken, dankzij lieve collega c., kwam de zoon naar beneden gedonderd met een handdoek, mijn slaapkleed en mijn peignoir, allemaal lekker warm want net van de chauffage geplukt. Hij had duidelijk wél een verzopen waterkieken verwacht, maar het deed enorm deugd, ook al was ik maar een klein beetje beregend. Wat een attente jongen is dat toch, die zoon van ons.

En het was nog niet gedaan. “Mama, er ligt een voorschriftje voor je klaar beneden, je moet alleen nog tekenen, denk ik.” Ik ging ervan uit dat oma n. hem een voorschrift had gevraagd voor tante m., dus ik had echt niets in de gaten. Hij troonde me mee naar beneden. Daar was de tafel mooi gedekt en lag mijn voorschrift klaar, eigenhandig geschreven door Henri.

Patiënt, dat was ik natuurlijk.
R/ Geneesmiddel van Feestvarken voor DAT JE VANDAAG IN DE BLOEMETJES WORDT GEZET!!!
Getekend door mijn twee mannen. Met stempel en datum en al.

En als klap op de vuurpijl bakte/grilde b. nog een perfecte bleu chaud van côte à l’os.

Mannekes ben ik met mijn gat in de boter gevallen.