Elke ochtend op de fiets passeer ik een rij kleine huisjes, waarvan er eentje altijd mijn aandacht trekt. Het huisje was mij onmiddellijk opgevallen toen ik ongeveer een jaar geleden besloot de tram in te ruilen voor mijn fiets. ’s Ochtends, rond kwart over acht, stond de deur altijd open, en voor de deur stond zo een elektrisch karretje geparkeerd. En telkens ik voorbijreed, dacht ik aan de mens in het huis. In mijn hoofd woonde hij alleen. Elke ochtend kwam iemand van familiehulp langs om hem te helpen, het huis te verluchten, en zijn karretje buiten te rijden. Intussen werd het huis gepoetst. Tegen het moment dat ik al volop aan het werk was, lag zijn huisje te blinken, en was hij klaar voor zijn dagelijkse tocht met zijn karretje. Want hij hield van avontuur. O ja.
Weken en maanden fietste ik voorbij, en dacht aan de man in het huis. Het werd een beetje mijne maat. Ik wenste hem een goede morgen, en in mijn gedachten schijnt de zon altijd als ik daar passeer(de).
Eind vorig jaar, op een donkere ochtend, stond zijn karretje er niet. Ik was wat ongerust, zeker toen het ook de dagen nadien niet meer verscheen. Ook de deur bleef dicht. Misschien was hij op reis? Of ziek geworden? Of elders gaan wonen? Nog een paar weken later verschenen zakken op de stoep, en dozen. Er was duidelijk iemand grote kuis aan het houden.

Ik vrees een beetje dat mijne maat er niet meer is.

Tijdens de eerste mooie dagen van dit jaar zag ik plots weer leven in het huisje.
Ik denk dat er een nieuwe mens komt wonen.

Maar ergens hoop ik dat mijne maat een paar maand in het ziekenhuis heeft gelegen, en na een operatie weer kan lopen. Dat hij nu zelf zijn huisje opkuist, verlucht, en dat hij zijn karretje naar de Kringloopwinkel heeft gebracht.
En als ik aan het werk bent, gaat hij joggen. En ijsjes eten.
Ja, dat moet het zijn.