‘Mama, schrijft die blauw?’ Henri wijst naar de pen waarmee ik in het middelbaar schreef, en die nog steeds dienst doet. Je krijgt er blauwe handen van (vooral Henri dan), maar voor de rest doet ze het nog prima. Ze schrijft zo lekker vettig.
Ik: ‘Ja.’
Hij: ‘Yes! Eindelijk weer een blauwe pen om mee te schrijven!’
Ik: ‘Is je pen kapot misschien?’
Hij: ‘Ja. Nee. Ik heb geen vullingen meer.’
Ik tover een vers doosje vullingen voor zijn pen tevoorschijn. Ik koop er altijd eentje extra, zodat we nooit zonder zitten.
Hij zucht. Dit was duidelijk niet het scenario dat hij in gedachten had. ‘Maar ik moet echt dringend een nieuwe pen hebben. Hoelang heb ik mijn pen niet al?’
Ik: ‘Euh, van vorig jaar pas toch?’
Hij: ‘Ja, dat is toch al lang! Hij sleept er pen en papier mee, begint streepjes te trekken, maakt een kening, en even later: ‘Dat is meer dan twintig maanden! En bijna zevenhonderd dagen! Want twee jaar zou zevenhonderdertig dagen zijn, maar twee jaar dat is vierentwintig maanden, en het zijn er maar twintig. Maar bijna zevenhonderd dagen, da’ toch al lang hé!’

Ja, als ie het zo zegt…

Op zijn blad staan: twintig streepjes, mooi in vier groepjes van vijf (vier met een streeep door) en 365×2=730.