Soms kan Henri van die dingen doen of zeggen die mij zo doen denken aan b. of aan mij. Of aan mijn ouders of grootouders.

Dit weekend zei hij zoiets dat uit de mond van mijn vader had kunnen komen. Alles. Wat hij zei, de manier waarop, het gezicht dat hij erbij trok.

Zomaar, out of the blue. Zonder enige aanleiding.

“Maar van welke keizer eigenlijk?”

We hadden een paar uur eerder naar de DVD van The Clone Wars gekeken, dus dacht ik aan Keizer Palpatin. Maar hij had het over een andere keizer.

En dat lachje dan. Fijn. Niet met zijn mond, maar met zijn ogen.

Genen, ’t zijn rare dinges. Wijs ook.

En, geniet u ook van de zoon van Julien?
En waarom wordt die dokter weer zo afstandelijk en onbegrijpelijk afgeschilderd? Der zijn andere, hoor.

Advertenties