“Oh nee, ’t is net zo spannend, en nu is mijn appel net op.”
Terwijl hij naar Ter Zake kijkt (de afspraak was dat hij zijn tanden moest poetsen en dan naar bed moest als zijn appel op was).

Ik, ’s morgens, aan het ontbijt: “Kijk, Henri, dat zie ik niet graag he, al die verspilling.” Ik heb het over zijn kaaskorstjes die hij bijzonder ruim afsnijdt.
Hij: “Kijk er dan niet naar he!”

Hij wil graag het begin van De Pappenheimers zien. Ik ben nog even een tas thee aan het zetten, hij gaat alvast naar boven. Even later weerklinkt het in de gang: “Mama! Mama! Miet Smet, en Wilfried Martens, ge kent die toch he? Awel, die doen mee!”
Als ik even later ook bovenkom, voegt hij er nog aan toe, voor alle zekerheid: “Wilfried Martens, dat is de informateur he.”

Toch handig, zo een zoon.

Advertenties