Het begon zo. Ik vroeg Henri hoe hij in ’s hemelsnaam aan al die modder op zijn jas kwam.

“Ah, ja, het vriest, en dan dooit het en dan regent het ook nog eens. Dat betekent modder!”

“Zijt ge dan gevallen?”

“Neen, neen, dat was toen er nog ijs lag. We hebben gespeeld van meisjes pakken jongens en jongens pakken meisjes. Er was wel een probleem, want er zijn meer jongens dan meisjes, dus moesten er 2 jongens bij de meisjes (f. en s., ik gelukkig niet). Op het einde waren alle jongens gepakt. Ik bleef alleen over, dus liepen al die meisjes achter mij! Vreselijk! Wat doet ge als er zeven meisjes op u afkomen om u te pakken, uit alle richtingen?”

Ik moest het antwoord schuldig blijven.

“Ge springt ertussen!”, klonk het triomfantelijk. “Ah, ja, want meisjes, die kunnen alleen rechtdoor lopen.”

“Hoezo?” vroeg ik, ijzig kalm, jawel.

“Meisjes die remmen als ze een bocht willen nemen. Tot volledige stilstand. Zo wordt een ruimte gecreëerd en daar moet ge dan van gebruik maken om ertussen te springen.”

Ik vroeg wat meer uitleg over die bochtenhistorie. Hoe zat dat dan met de jongens?

“Kijk. Jongens die kunnen zonder te stoppen bochten nemen, zonder zelfs af te remmen. Meisjes kunnen dat niet. Ik begrijp ook niet waarom, eigenlijk. Maar het is wel zo.”

Zozo.

En dat is wel mijn zoon, he. Tsk.
(Ter uwer info: deze middag hebben in het UZ twee meiskes (lees vrouwen) bochten genomen zonder te remmen. Zonder enig snelheidsverlies, zelfs, ja!)

Poeh.

Advertenties