“Jaja, ge zijt een bloederke, hé”, zei de chirurg, waar ik deze namiddag op controle moest. Even ervoor had ze dingen uit mijn neus gehaald, amai, zonder details te geven, het is een waar raadsel dat er nog lucht kon passeren toen die dingen er nog in zaten. Na de foltering zat ik braaf voor haar met twee wattepropjes in mijn neus terwijl ze mijn voorschriften maakte (weer een ganse hoop medicamenten erbij), en toen viel er plots een dikke druppel bloed op mijn schoon rokske. En de druppels bleven komen. “We hebben hulp nodig!”, zei ze tegen de verpleegster, die net binnenkwam. “Oooh, ja, ik zie het precies!”, zei die. En even later lag ik op een bed met ijs in mijn nek, doeken op mij om de rest van mijn kleren te beschermen, en een nierbekken vol bloed onder mijn neus. Na een half uur is het bloeden gestopt, gelukkig. En nu zit mijn neus weer vol klonters, natuurlijk. ’t Zijn dingen.

“Oeioei, die keel is nog verre van genezen”, zei ze ook, toen ze in mijn -gigantisch groot geworden- keelgat keek. Ja, dat had ik zelf ook al gevoeld, de pijn is nog steeds intens aanwezig en straalt uit via mijn oren naar het bovenste van mijn kop. En die hechtingen van mijn huig, die zo elastisch was dat ze helemaal verdween nadat de chirurg er een stukje van had geknipt, die mogen er ook eens beginnen uitvallen. Het is alsof er een borsteltje gemaakt van visgraten achterin mijn keel bengelt. Not an amusing feeling.

Vandaag dag zeven. Benieuwd of er morgen eindelijk wat beterschap komt. Ik denk het wel.

Advertenties