Ik heb geen goeie tanden. Ik wil daarmee zeggen, ik verzorg mijn tanden goed, poets ze minstens tweemaal per dag mijn tanden, flos dat het een lieve lust is, ga om de zes maand trouw naar de tandarts, en na een snoeptussendoortje neem ik zo een V6-ke, maar dat heeft niet kunnen beletten dat ik al meer vullingen heb dan me lief is. Ik sprak er de laatste keer nog over met mijn fantastische tandarts. “’t Is toch erg, hé, al die vullingen”, zei ik beschaamd toen ik mijn OPG-tje bekeek. “Gij kunt daar niet aan doen, hé, zei hij, dat zijn de genen hé.” En troostend voegde hij eraan toe, “’t Valt nog mee, ze!”

Ik moet u niet vertellen zeker dat het ongelooflijk deugd deed toen de tandtechnicus vanmorgen de gevleugelde woorden uit de titel sprak toen ze in mijn mond zat te kijken, onderwijl codetaal tegen de verpleegster sprekend. Molaar, craniaal, 1, 2, 1, daarnaast 3, 1, 1, enz enz… En ze meende dat hé, van dat droommondje. “Zo goed verzorgd! Vorige week nog heb ik hier zitten ploeteren in de tandplaque, dat was wat anders ze!”

Ik heb ook geleerd dat ik wonderbaarlijk scherpe styloideussen heb (“die zouden u met de jaren last kunnen berokkenen bij het slikken”, klonk het), ze zagen er ook nogal vervaarlijk scherp uit, moet ik zeggen, en dat ik hyperlakse gewrichten heb, in mijn mond toch.

Ahum. Ahum. Staat u mij toe een knopje los te maken.

Advertenties