Vanmorgen liep in door de regen naar het ziekenhuis, en moest ik plots aan pepe denken. Op de bus wordt elke morgen wat afgekletst, ik ontmoette er al een vrouw die net naar hier verhuisd is vanuit het zonnige (maar saaie) Florida, een man die vriendelijk was maar mij aan een foute halte deed afstappen (de etterbak), en een jong meisje dat net als mij in Pascal Mercier aan het lezen was (ik in De Pianostemmer, zij in Nighttrain to Lisbon). Mijn pepe, dat was een sociaal mens, tegen iedereen een klapke doen, of hij die mensen nu kende of niet. Toen mijn meme en pepe ooit eens bij mij bleven logeren toen mijn ouders op reis waren (normaal gezien ging ik altijd mee, maar onze hond, Gentle, was heel ziek en ik wou hem niet alleen achterlaten, ik heb daar ooit nog een verhaal over geschreven voor een examen – we gingen naar Tokio gaan), kende hij op die tien dagen gans de buurt, en wist hij vanalles over die mensen te vertellen waar wij -die er al minstens tien jaar woonden- geen weet van hadden. En ik dacht, pepe zou zich hier goed gevoeld hebben, in Amerika, waar iedereen vriendelijk is, je aanspreekt en zonder probleem zijn halve leven aan je vertelt. En toen moest ik denken aan hoe hij zo smakelijk kon lachen, en hoe zijn ogen dan zo ondeugend glinsterden, en hoe hij dan altijd zijn oude, rimpelige handen in elkaar wreef van contentement. Ik ga dat zo missen. Ik denk dat ik het nog lastiger ga hebben als ik weer terugkom, want dat brengt het gemis weer dichterbij.

Mijn andere pepe, pepe Centrum, zoals ik hem noemde (pepe Nieuwewijk en pepe Centrum – naar hun woonplaats in Zele), die zou ook heel graag naar Amerika zijn gekomen, maar om andere redenen. Hij stierf veel te vroeg, en na veel te veel afzien, op 72-jarige leeftijd, terwijl b. en ik in London zaten. Wat een prachtig mens was hij ook. Een postbode, een job die altijd op mijn verbeelding heeft gewerkt. Ik heb altijd een zwak gehad voor brieven, email is uiteindelijk maar een zwak afkooksel voor een handgeschreven brief. Maar het is lang geleden dat ik er zelf één schreef of één ontving, maar ooit waren het er heel veel in beide richtingen. Pepe C. is ooit eens met ons mee geweest op vakantie naar Egypte, en ik zal die reis nooit vergeten. Pepe wou zo graag weten en leren en verkennen en ontdekken. Hij was grappig, en doodeerlijk en we konden hem zo goed plagen, nichtje h. en neefje t. en ik. Weet ge dat nog, h. en t., van die pili-pili die we hem lieten proeven met zijn ogen dicht, omdat hij alles wou proeven? Wat hebben we toen gelachen, de tranen liepen over onze wangen! Hij at zo graag, als hij at, dan zag je hem genieten met al zijn vezels. En hij was een verstandig man met een open geest.

Wat zou ik er veel voor geven om ze hier nog eens bij mij te hebben, mijn twee pepe’s. Ze zullen het moeten doen met die grote plek in mijn hart, die blijft voor altijd van hen. En terwijl ik dit zo opschrijf, besef ik vooral hoe ongelooflijk gelukkig ik mijzelf mag prijzen met zo twee pepe’s. En dan heb ik het nog niet gehad over die 2 prachtige madammen, meme (N.) en moemoe (C.), die nog altijd alive and kicking zijn, en dat nog lang zullen blijven, dat weet ik gewoon. Die worden alletwee honderddrieëntwintig. Minstens.

Advertenties