B., die ons dezer dagen -ongelooflijk sexy met zijn zonnebril, zijn wilde haardos en zijn gebruinde gezicht- langsheen al dat moois loodst in een verzengende hitte en onder een stralende zon: “Maar wat ik mij afvraag: Wat deden die mensen vroeger … (nadrukkelijke pauze) zo zonder … (opnieuw nadrukkelijke pauze) zonnebril?”
Ik heb een half uur de slappe lach gehad.

Henri, na een raar plopgeluidje: “Amai, ik dacht dat mijn lippen voor eeuwig vast gingen zitten in die melkfles!”

Uitsmijtertje: Hét woord van deze trip is ongetwijfeld: shrubbery: het door b. gelanceerde en door ieder van ons (oké, vooral door mij) te pas en te onpas gebruikte woord, voor van dat aaandoenlijk rommelig gewas langs de kant van de weg, op rotsen, in de woestijn…

Advertenties