Die ochtend aan een sfeervol verlichte tafel.

Ik: “Verkleinwoord van rekening?”
Henri: “Rekeningetje”

Ik: “Verkleinwoord van ketting?”
Henri: “Kettinkje”

Ik: “Verkleinwoord van Henri?”
Henri: “Henrietje”

Ik: “Verkleinwoord van Tessa?”
Henri: “Tessa’tje?”
“Tessaken?”

“Pieken?” (nvdr: één van de vele troetelnaampjes die mijn ouders me geven…)

Het katapulteerde me terug in de tijd, toen ik nog elf jaar was. En Meester M. steevast “Tessaatje” gebruikte om het verkleinwoord van woorden die op een a eindigen te illustreren.

Advertenties