Toen we zaterdagochtend op een goddeloos vroeg uur op de tram zaten richting muziekschool voor Henri zijn wekelijkse date met zijn geweldige trompet-juf, sneed ik het onderwerp ‘Lentefeest’ aan. Jaja, het is weer bijna zover, en we moeten het eens beginnen plannen, dacht ik zo. Dus peilde ik naar zijn wensen en ideeën. Vorige keer was het Kasteel van Zwijnaarde de lokatie van een heel mooi feest, met als één van de grootste troeven een springkasteel in de ruime tuin en een verrukkelijk dessertenbuffet (getuige waarvan een mooie foto van Henri in Zijn Schoon Kostuum en zijn gezicht vol chocolademousse). Maar, zo zei ik, ik dacht om eens iets anders, iets origineels te doen, en ja, dat springkasteel dat was misschien toch niet meer voor zijn leeftijd. Hij sprak mij vol overtuiging tegen. Een springkasteel was wél nog voor zijn leeftijd, en iets origineels, hm, dat vond hij maar een belachelijk idee (en toen begon hij te filosoferen over wat dat eigenlijk is, originaliteit, maar ik ben een beetje vergeten hoe hij dat precies zei, helaas, want het was waanzinnig juist en slim bekeken). En waaraan had ik dan gedacht, als originele lokatie, vroeg hij nog, zo een beetje schamper, pubersgewijs welweterig. Wel, daar had ik niet onmiddellijk een antwoord op: “Het Gravensteen bijvoorbeeld?” flapte ik er zomaar uit. “Het Gravenkasteel. Juist. En waar gaat ge dan dat springkasteel zetten?” vroeg hij op dezelfde toon, en even later: “Of gaat ge het Gravenkasteel opblazen voor de gelegenheid?”

Advertenties