Altijd weer schrik ik even van zijn zware tenorstem. Ik blijf dat hoge, lieve kinderstemmetje verwachten, aan de andere kant. Maar De Zoon wordt Groot. Een Man, bijna. Een Gast, al.
Hij vraagt of ik nog lang weg blijf (het is half zeven maandagavond). “Wanneer mag ik u verwachten?”, vraagt hij. -Beleefdheid is altijd een sterke kant van hem geweest.
Neen, hij is nog niet klaar met zijn Latijn (’t zijn examens), maar hij is eeeeen-zaam (b. heeft nog een vergadering).
Ik antwoord dat ik *nu* op mijn fiets spring. -want hoe vaak zal dit nog voorvallen, dat De Zoon, mij, nodig heeft? Het zijn momenten die ik moet koesteren.
Een kwartier en een knuffel later lig ik op zijn bed, in stilte nog wat verder te werken. Terwijl hij aan zijn bureau gezeten, woordje voor woordje uit zijn glazen bokaal woordje voor woordje opvist: latijn/nederlands. Fichkes die we samen hebben gemaakt.
Genietend Moederkloek Zijnd.

Advertenties